Afvaren
van hogerwal: met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen,
zonodig verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat
het schip niet tegen de wal komt. Landvast(en) losmaken,
opschieten en paraat opbergen. Bemanning evenredig over
sb en bb verdelen. Stuurman aan de helmstok aan de toekomstige
loefzijde. Schoten goed los.
Goed uitkijken voor een veilige afvaart.Afzet van de wal
naar de gewenste (grootste hoek schip/wal) richting (bij
langswal ook vooruit) of recht achteruit. Zonodig fok bak.
Afduwer
gaat aan de loefzijde van de fok naar de kuip. Zonodig moet
er worden gedeinsd. Deinzen: schip in de wind leggen.
Bemanningsgewicht evenredig overstuur- en bakboord verdelen.
Schoten goed los. Fok zo mogelijk bundelen. Stuurman aan
de toekomstige loefzijde.
Afduwer
houdt het schip aan de voorstag of aan de randen van het
voordek vast.
Het been dat het dichtst bij het voorstag is wordt op het
schip geplaatst. Afzet krachtig en recht achteruit. Roerganger
geeft roer voor deinzend schip.
Volvallen
over de van tevoren vastgestelde boeg. Bij voorkeur zonder
fok bak. Helmstok/hout niet loslaten.
Vaart gaan maken (zeil aantrekken) zodra het schip op de
juiste koers ligt.
Aankomen aan hogerwal onder alle omstandigheden: de aankomst
aan hogerwal dient ook zonder een 'dwarspeiling'te kunnen
worden uitgevoerd. Landvasten gereed leggen/houden en vastmaken
aan het schip.
|