5.1 Richtlijnen voor toetsing
Om
een CWO Diploma te verkrijgen, zal men door een door de
Commissie Watersport Opleidingen erkende instructeur c.q.
beoordelingsgemachtigde (bg) beoordeeld moeten worden. Deze
beoordeling kan plaatsvinden tijdens de cursus of buiten
cursusverband bij een door de CWO erkende vaarschool of
een aan het CWO-systeem deelnemende KNWV aangesloten watersportvereniging
(een lijst met CWO-vaarscholen en -verenigingen is bij het
CWO-secretariaat verkrijgbaar).
Voor
de beoordeling wordt gebruik gemaakt van een CWO-vorderingenstaat.
De daarop aangegeven onderwerpen kunnen in willekeurige
volgorde worden afgetekend of afgestempeld zodra de kandidaat
het betreffende onderdeel beheerst. Deze vorderingenstaat
blijft eigendom van de kandidaat totdat alle onderwerpen
zijn afgetekend. Daarna wordt het CWO Diploma uitgereikt.
Bij
een vervolgopleiding tekent de opleidingslocatie de nieuw
beheerste onderdelen op een nieuwe vorderingenstaat af.
Zodra alle onderdelen zijn afgetekend, reikt de opleidingslocatie
het betreffende CWO Diploma uit aan de kandidaat. De datum
waarop het eerste praktijkonderdeel is afgetekend en de
datum waarop het laatste praktijkonderdeel wordt afgetekend,
moeten binnen hetzelfde vaarseizoen liggen (hetzelfde kalenderjaar).
Voor de theorieonderdelen geldt echter dat deze vervallen
na een periode van 18 maanden. De geldigheid van één
vaarseizoen (praktijk) en 18 maanden (theorie) impliceert
niet dat alle vaardigheden die een kandidaat had op het
moment van aftekenen ook daadwerkelijk nog beheerst worden.
Vanzelfsprekend zal de beheersing van onderdelen minder
worden als zij niet regelmatig beoefend worden. Een opleidingslocatie
zal daarom altijd mogen controleren of de afgetekende onderdelen
nog beheerst worden. Indien dit niet het geval is, zullen
deze vaardigheden eerst weer op niveau gebracht moeten worden.
Let op: als alle eisen afgetekend, moet het CWO Diploma
binnen zes maanden worden uitgereikt. Na deze periode verliest(verliezen)
de vorderingenstaat zijn geldigheid. Het CWO Diploma heeft
daarentegen een ongelimiteerde geldigheidsduur.
5.1.1
Afname theorie examens MBL Z1
De
MBL's worden door een CWO beoordeling gemachtigde van de
Regionale Admiraliteit of Landelijke Admiraliteit afgenomen
aan de hand van de eisen voor het CWO 3-CWO Diploma kielboot
verstrekt. Wanneer de teamleider of speltak beoordeling
gemachtigde de kandidaat voordraagt op grond van zijn geschiktheid
als bootleider en de kandidaat zowel theoretisch als praktisch
aan de eisen voldoet, verstrekt de Regionale Admiraliteit
of Landelijke Admiraliteit naast het CWO Diploma het scoutinginsigne
Machtiging Bootleiding.
Het
theorie examen voor het MBL zeilen Z1 bestaat uit 45 meerkeuzevragen.
Indien de beoordelingsgemachtigde ook open vragen wil stellen
dan kunnen 5 open vragen aan het examen worden toegevoegd.
De kandidaat is geslaagd als ten minste 70% van de beantwoorde
vragen goed beantwoord is.
Het theorie examen is als onderdeel van de vorderingenstaat
18 maanden geldig. Dit betekent dat de kandidaat binnen
18 maanden de overige delen van de vorderingenstaat moet
af tekenen. Zo niet, dan moet er opnieuw theorie examen
worden gedaan worden. In principe zal een CWO Diploma op
niveau III zoveel mogelijk op een dag en achter elkaar door
worden afgenomen.
5.2 Schip en uitrusting Kielboot 1 t/m 5
Teneinde
kielbootopleidingen in het kader van de CWO-lijn te mogen
verzorgen, dienen schip en uitrusting aan minimale normen
te voldoen. Het schip moet schoon en goed onderhouden zijn
en voorzien zijn van de volgende inventaris:
1.
Complete tuigage
2. Zeilbandjes (andere inrichtingen om het op de giek bijeen
te houden zijn ook goed)
3. Reef inrichting voor het grootzeil. 3/8 deel van het
oppervlak moet kunnen worden weggenomen
4. Stormfok of een reef inrichting voor de fok.
5. Kraanlijn
6. De mogelijkheid om varend te hozen
7. Op het voorschip en op het achterschip moet een voldoende
sterk sleeppunt aanwezig zijn
8. Lijn voor landvast, sleep- en ankerlijnfuncties met een
lengte van in totaal 40 meter
9. Meerpen
10. Twee losse stootkussens met voldoende lijn
11. Dweil of iets dergelijks
12. Mist- en scheepshoorn
13. Vaarboom en/of peddel (afhankelijk van vaargebied)
14. Deugdelijk anker met bijbehorende dagtekens gebruiksklaar.
Bij voorkeur met kettingvoorloop.
15. Kleine eenvoudige verbandtrommel
16. Per opvarende een zwemvest
17. Windvaan
18. Klemmen, klampen of lieren voor de fokkenschoten
Aanbevolen
inventaris voor het instructievaartuig
1.
Mik, schaar of stoeltje
2. Strijkbare mast
3. Oefenmateriaal (bijvoorbeeld een te verankeren merkteken)
4. Enig gereedschap
5. Opbergmogelijkheid voor afval
6. Reservemateriaal zoals harpsluiting, extra lijntjes etc.
7. De bevestiging van de fok aan de schoot (niet met een
harpsluiting)
8. Spruitloperborglijn
9. Kraanlijnbevestiging boven in de mast of een dubbele
kraanlijn
10. Buitenboordmotor
|