5.3.1
Eisen praktijk Kielboot I
1.
Het schip zeilklaar en nachtklaar maken
2. Verhalen van het schip
3. Stilliggend hijsen en strijken van de zeilen
4. Stand en bediening van de zeilen
5. Sturen, roer- en schootbediening
6. Overstag gaan
7. Opkruisen in breed vaarwater
8. Gijpen
9. Afvaren van hogerwal
10. Onder toezicht aankomen aan hogerwal
11. Afmeren op de eigen ligplaats
12. De noodzaak van het reven onderkennen
13.Toepassing van de reglementen
5.3.2
Eisen theorie Kielboot I
1.
Schiemanswerk
2. Zeiltermen
3. Onderdelen
4. Veiligheid
5. Reglementen
6. Krachten op het schip en hun gevolgen
Aanbevolen
literatuur:
Het Zeilboek, J.Peter. Hoefnagels, Uitgeverij Het
Goede Boek, derde druk 2001,ISBN 90 240 0667 8
Zeilen van beginner tot gevorderde ;Karel Heijen, Peter
Tolsma, Uitgeverij Hollandia, zevende druk 1998,ISBN 90
6410 0586
5.3.3 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot
I
1. Het schip zeilklaar en nachtklaar maken
Zeilklaar maken: zeilkleden verwijderen, kraanlijn doorzetten
en mik of schaar verwijderen, fok aanslaan, fokkenschoten
inscheren, vallen aanslaan. Inventaris controleren.
Klaarmaken voorde nacht: vallen losmaken en in het want
of langs de mast (rammelvrij) wegwerken. Fok in zeilzak,
grootzeil opdoeken, giek (en gaffel) op de mik (schaar)
leggen. Kraanlijn loszetten. Zeilkleden aanbrengen, inventaris
opruimen.
2.
Verhalen van het schip
Zonder gebruik te maken van de motor. Alle manieren
met spierkracht zijn toegelaten met dien verstande dat het
verhalen geen gevaar op mag leveren voor bemanning, materiaal
of andere scheepvaart. Op het schip zelf dient zo veel mogelijk
vanuit de kuip gewerkt te worden.
3.
Stilliggend hijsen en strijken van de zeilen
Met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig
verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat
het schip niet tegen de wal komt. Bemanning voorin of aan
de kant van de kraanlijn plaats laten nemen.
Grootzeil hijsen: Grootschoot los. Zeilbandjes los. Zonodig
zeil opvangen. Gaffel tot ongeveer 45 graden (*).
Vallen samen (*). Piekenval tijdelijk vastzetten (*). Klauwval
vastzetten (*).
Halstalie vast. Rijglijn/rakbanden zonodig corrigeren. Piek
stellen, zodat een plooi van nok naar hals resteert (*).
Kraanlijn zodanig los dat het zeil er geen hinder van ondervindt.
(*) alleen voor gaffelzeilen
Fok hijsen: Val losmaken. Zonodig naar de kuip gaan. Schoothoek
aan schoot lostrekken (val ontspannen en
beheerst trekken). Strietsen (dwars op de val trekken; de
ruimte die ontstaat over de korvijnagel of kikker
met de andere hand wegnemen). Val beleggen. Vallen/kraanlijn
opschieten.
4.
Stand en bediening van de zeilen
Zowel bij het varen van een rechte koers als bij
het maken van bochten dient steeds zoveel mogelijk de juiste
zeilstand te worden gevoerd. De zeilen dienen zoveel mogelijk
gevierd te zijn zonder dat het voorlijk daarbij kilt. Bij
oploeven is het killen van de fok en bij afvallen is het
killen van het grootzeil in bescheiden mate noodzakelijk.
De zeilen moeten het sturen van de boot ondersteunen.
5.
Sturen, roer- en schootbediening
Het schip met behulp van het roer en de zeilen
een rechte koers en bochten kunnen laten varen, zodanig
dat een aangewezen punt zonder onnodige omwegen wordt aangezeild.
6.
Overstag gaan
Van hoog aan de wind over de ene boeg naar hoog
aan de wind over de andere boeg. Als er niet hoog aan de
wind wordt gevaren, kan een opdraaiende beweging worden
gemaakt waarbij vloeiend wordt overgegaan in de overstagmanoeuvre.
Commando's:"Klaar om te wenden": waarschuwingscommando.
Indien nodig ook te gebruiken in sloten en kanalen. Bemanning
maakt zich gereed.
"Ree": start van de manoeuvre. Fokkenschoot 10
tot 15 cm vieren (= fok killend bij). Grootschoot zonodig
en zo mogelijk enige decimeters aantrekken.
"Fok bak": alleen als het nodig is. Als de boot
nagenoeg in de wind ligt, de fokkenschoot aan de oude loefzij-de
weer aantrekken.
"Fok over": als de boot net door wind heen is.
'Oude' fokkenschoot opvieren en de 'nieuwe' fokkenschoot
aantrekken totdat de schoothoek net niet meer klappert.
"Fok aan": als de boot weer wat snelheid heeft
gekregen. De bemanning zet de fok strak. Dit moet zonder
'rukken' gebeuren. In de draai moet de fokkenschoot zoveel
aangetrokken worden dat de fok geen wind vangt maar dat
het klapperen belemmerd wordt. Zo min mogelijk roer geven
(alleen bij heel weinig wind of veel golfslag is meer roer
geven noodzakelijk). Stuurman met het gezicht naar voren
gaan verzitten.
5.3.3
Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot I vervolg
7.
Opkruisen in breed vaarwater
Goed hoog aan de wind varend en zonodig overstag gaand een
in de wind gelegen punt aanzeilen.
8.
Gijpen aan zien komen wanneer er gegijpt moet worden.
De stuurman attendeert de bemanning op de komende gijp.
Het overkomen van het zeil moet pal voor de wind gebeuren.
Na de gijp zit de stuurman aan de hoge zijde.
Het schip moet een vloeiende koers blijven varen.
'Nieuwe' fokkenschoot wordt gepakt. Eventueel opnieuw fok
te loevert zetten.
Direct voor en na de manoeuvre moet de zeilstand juist zijn.
Met name het vieren van de schoot moet snel gebeuren.
9.
Afvaren van hogerwal
Met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig verhalen.
Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet
tegen de wal komt. Landvast(en) losmaken, opschieten en
paraat opbergen. Bemanning evenredig over SB en BB verdelen.
Stuurman aan de helmstok aan de toekomstige loefzijde. Schoten
goed los.
Goed uitkijken voor een veilige afvaart.
Afzet van de wal naar de gewenste (grootste hoek schip/wal)
richting (bij langswal ook vooruit) of recht achteruit.
Zonodig fok bak. Afduwer gaat aan de loefzijde van de fok
naar de kuip.
10.
Aankomen aan hogerwal (onder toezicht)
In principe aan de wind aankomen. Een stukje tegen de wind
in 'opschieten' is toegestaan. De snelheid wordt geregeld
met de zeilen. De instructeur kan aanwijzingen geven om
de aanleg veilig te laten geschieden.
11.
Afmeren op de eigen ligplaats
Het schip op de eigen ligplaats kunnen afmeren. Stootkussens
zonodig gebruiken om beschadigingen te voorkomen. De juiste
knopen en steken moeten worden gebruikt.
12.
De noodzaak van het reven onderkennen
Aan kunnen geven wanneer de noodzaak bestaat om te gaan
reven. Dit kunnen aangeven aan de hand van: schip, zeilwater,
windkracht en geoefendheid van de bemanning. Het reven zelf
hoeft niet gekend te worden.
13.
Toepassing van de reglementen
De uitwijkregels voor het eigen vaargebied kunnen toepassen.
Een uitwijkmanoeuvre dient tijdig te worden ingezet. De
bemanning mag waarschuwen voor andere scheepvaart.
5.3.4
Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot I
1.
Schiemanswerk
De volgende knopen en steken kennen en op verzoek kunnen
leggen: achtknoop, twee halve steken waarvan de eerste slippend,
paalsteek, reefsteek (= platte knoop), het beleggen op klamp,
nagel of kikker. Tevens moet een tros kunnen worden opgeschoten.
5.3.4
Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot I vervolg
2.
Zeiltermen
Kunnen aangeven wat bedoeld wordt met de volgende termen:
hoger wal, lager wal, bakboord,
stuurboord, hoge- en lage zijde, loef- en lijzijde, in de
wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind,
oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, kruisrak, killen
van het zeil.
3.Onderdelen
Op eigen boot en tuigage in de praktijk en op een tekening
minstens 15 onderdelen bij de juiste naam kunnen noemen
(naar keuze van de kandidaat). Op de tekening moeten duidelijk
minstens 20 verschillende onderdelen voorkomen.
4.Veiligheid
Kunnen aangeven waarom het belangrijk is om bij de omgeslagen
boot te blijven. En tevens de eisen kennen die gesteld moeten
worden aan een reddingvest.
5.Reglementen
De volgende regels uit het Binnenvaartpolitiereglement kunnen
toepassen:
1.01 lid A 3° groot schip
1.01 lid A 4° klein schip: alleen de bepaling over de
lengte
1.04 Voorzorgsmaatregelen
1.05 Afwijking reglement
6.04 lid 2 Tegengestelde koersen: stuurboordwal
6.04 lid 3 Tegengestelde koersen: klein schip verleent voorrang
aan groot indien geen stuurboordwal
6.17 lid 2 Kruisende koersen: stuurboordwal
6.17 lid 3 Kruisende koersen: klein schip verleent voorrang
aan groot indien geen stuurboordwal
6.17 lid 6 Kruisende koersen: kleine zeilschepen onderling
6.17 lid 9 Kruisende koersen: zeil - spier - motor
6.Krachten
op het schip en hun gevolgen
Kunnen aangeven wat de effecten zijn van de fok en het grootzeil
op het sturen van het schip. Ook aan kunnen geven wat er
gebeurt bij een onjuiste zeilstand.
|