5.4.1
Eisen praktijk Kielboot II
1.
Het schip zeilklaar en nachtklaar maken
2. Verhalen van het schip
3. Stilliggend hijsen en strijken van de zeilen
4. Stand en bediening van de zeilen
5. Sturen, roer- en zwaardbediening
6. Overstag gaan
7. Opkruisen in nauw vaarwater
8. Gijpen en gijpen kunnen vermijden
9. Afvaren van hogerwal
10. Aankomen aan hogerwal (onder alle omstandigheden)
11. Afmeren van het schip
12. Kunnen reven op het eigen schip
13. Toepassing van de reglementen
14. Man over boord manoeuvre
15. Loskomen van aan de grond
16. Gebruik buitenboordmotor
5.4.2
Eisen theorie Kielboot II
1.
Schiemanswerk
2. Zeiltermen
3. Onderdelen
4. Veiligheid
5. Reglementen
6. Krachten op het schip en hun gevolgen
7. Gedragsregels
8. Weersinvloeden
9. Vaarproblematiek andersoortige schepen
Aanbevolen
literatuur:
Het Zeilboek, J.Peter. Hoefnagels, Uitgeverij Het Goede
Boek, derde druk 2001,ISBN 90 240 0667 8
Zeilen van beginner tot gevorderde ;Karel Heijen, Peter
Tolsma, Uitgeverij Hollandia, zevende druk 1998,ISBN 90
6410 0586
5.4.3
Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot II
1.Het
schip zeilklaar en nachtklaar maken
Controle inventaris. Eventueel schip schoon/droog maken.
Zeilkleden eraf: droge zijde droog houdend opvouwen en opbergen.
Zonodig sluitingen controleren. Kraanlijn aanslaan. Kraanlijn
doorzetten. Mik, schaar, bok (dan wel stoeltje) onder giek
uit en veilig opbergen.
Fok aanslaan: val van tevoren klaar hangen. Schoot aan fok
bevestigen dan wel klaarleggen. Halshoek vastmaken. Leuvers
van onder af aanslaan. Niet in het water laten komen. Zie
verder: fok opdoeken. Fokken-schoten door de lij-ogen en
achtknoop er opzetten.
Grootzeil: grootzeilbindsels vastmaken/controleren (*).
Aanslaan: piekenval aan spruit en spruitloperborg-lijn (*).
Klauwval aanslaan (*). Grootzeilval aanslaan (*). Zonodig
reven. Zelflozers (indien aanwezig) naar wens instellen.
Bemanning moet goed gekleed zijn en de mogelijkheid hebben
zich anders te kleden als de omstandigheden veranderen.
Reddingvest voor elk persoon is aan boord mee en is bij
voorkeur aangetrokken als een onderdeel van de regenkleding.
(*) = indien van toepassing
2.Verhalen
van het schip
Zonder gebruik te maken van de motor. Alle manieren met
spierkracht zijn toegelaten met dien verstande dat het verhalen
geen gevaar mag opleveren voor bemanning, materiaal of andere
scheepvaart. Op het schip zelf dient zo veel mogelijk vanuit
de kuip gewerkt te worden.
3.Stilliggend
hijsen en strijken van de zeilen
Met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig verhalen.
Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet
tegen de wal komt. Bemanning voorin of aan de kant van de
kraanlijn plaats laten nemen. Grootzeil hijsen: grootschoot
los. Zeilbandjes los. Zonodig zeil opvangen. Gaffel tot
ongeveer 45 graden (*). Vallen samen (*). Piekenval tijdelijk
vastzetten (*). Klauwval vastzetten (*). Halstalie vast.
Rijglijn/rakbanden zonodig corrigeren. Piek stellen zodat
een plooi van nok naar hals resteert (*). Kraanlijn zodanig
los dat het zeil er geen hinder van ondervindt. (*) alleen
voor gaffelzeilen.
Fok hijsen: val losmaken. Zonodig naar de kuip gaan. Schoothoek
aan schoot lostrekken (val ontspannen en beheerst trekken).
Fok hijsen. Strietsen (dwars op de val trekken; de ruimte
die ontstaat over de korvijnagel of kikker met de andere
hand wegnemen). Val beleggen. Vallen en kraanlijn opschieten.
4.Stand
en bediening van de zeilen
Zowel bij het varen van een rechte koers als bij het maken
van bochten dient steeds zoveel mogelijk de juiste zeilstand
te worden gevoerd.
De zeilen dienen steeds zoveel mogelijk gevierd te zijn
zonder dat het voorlijk daarbij kilt. Bij oploeven is het
killen van de fok en bij afvallen is het killen van het
grootzeil in bescheiden mate noodzakelijk. De zeilen moeten
het sturen van de boot ondersteunen.
5.Sturen,
roer- en schootbediening
Het schip met behulp van het roer en de zeilen een rechte
koers en bochten kunnen laten varen, zodanig dat een aangewezen
punt zonder onnodige omwegen wordt aangezeild.
6.Overstag
gaan
Van hoog aan de wind over de ene boeg naar hoog aan de wind
over de andere boeg. Als er niet hoog aan de wind wordt
gevaren, kan een opdraaiende beweging worden gemaakt waarbij
vloeiend wordt overgegaan in de overstagmanoeuvre.
Commando's: "Klaar om te wenden", waarschuwingscommando.
Indien nodig ook te gebruiken in sloten en kanalen. Bemanning
maakt zich gereed."Ree", start van de manoeuvre.
Bemanning laat de fokkenschoot 10 tot 15 cm vieren (= fok
killend bij). Grootschoot zonodig en zo mogelijke enige
5.4.3 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot
II vervolg decimeters aantrekken. "Fok bak", alleen
te gebruiken als de sturing van het schip het nodig maakt.
Als de boot nagenoeg in de wind ligt. Bemanning trekt de
fokkenschoot aan de oude loefzijde weer aan."Fok over",
als de boot net door de wind heen is. Bemanning viert de
'oude' fokkenschoot op en trekt de 'nieuwe' fokkenschoot
aan totdat de schoothoek net niet meer klappert.
"Fok aan", als de boot weer wat snelheid heeft
gekregen. De bemanning zet de fok strak. Dit moet zonder
rukken' gebeuren. In de draai moet de fokkenschoot zoveel
aangetrokken worden dat de fok geen wind vangt maar dat
het klapperen belemmerd wordt. Zo min mogelijk roer geven
(alleen bij heel weinig wind of veel golfslag is meer roer
geven noodzakelijk). Stuurman met het gezicht naar voren
gaan verzitten.
7.
Opkruisen in nauw vaarwater
Goed hoog aan de wind zeilen en rekening houden met het
andere scheepvaartverkeer. Als de wind van één
van de oevers waait, is het in nauw vaarwater noodzaak de
korte slag met een knik in de schoot te varen om voldoende
snelheid te krijgen voor een vloeiende overstagmanoeuvre.
8.Gijpen
en gijpen kunnen vermijden
Aan zien komen wanneer er gegijpt moet worden.
De stuurman attendeert de bemanning op de komende gijp.
Het overkomen van het zeil moet pal voor de wind gebeuren.
Na de gijp zit de stuurman aan de hoge zijde.
Het schip moet een vloeiende, zonodig gestrekte, koers blijven
varen.
'Nieuwe' fokkenschoot wordt gepakt.
Eventueel opnieuw fok te loevert zetten.
Direct voor en na de manoeuvre moet de zeilstand juist zijn.
Met name het vieren van de schoot moet snel gebeuren.
Gijpen vermijden: indien de omstandigheden het noodzakelijk
maken, moet een gijp vermeden kunnen worden. Bijv. de gijp
vervangen door het maken van een 'stormrondje'. Bij een
'stormrondje' dient rustig te worden opgeleefd en na de
overstagmanoeuvre vlot te worden afgevallen door het grootzeil
flink los te zetten en de fok bak te blijven houden. Het
strijken van het grootzeil is ook een mogelijkheid om de
'gijp' (althans met het grootzeil) te vermijden.
9.Afvaren
van hogerwal
Met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen, zonodig verhalen.
Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet
tegen de wal komt. Landvast(en) losmaken, opschieten en
paraat opbergen.
Bemanning evenredig over sb en bb verdelen. Stuurman aan
de helmstok aan de toekomstige loefzijde. Schoten goed los.
Goed uitkijken voor een veilige afvaart.
Afzet van de wal naar de gewenste (grootste hoek schip/wal)
richting (bij langswal ook vooruit) of recht achteruit.
Zonodig fok bak.
Afduwer gaat aan de loefzijde van de fok naar de kuip. Zonodig
moet er worden gedeinsd.
Deinzen:
Schip in de wind leggen.
Bemanningsgewicht evenredig overstuur- en bakboord verdelen.
Schoten goed los.
Fok zo mogelijk bundelen.
Stuurman aan de toekomstige loefzijde.
Afduwer houdt schip aan de voorstag of aan de randen van
het voordek vast. Het been dat het dichtst bij het voorstag
is, wordt op het schip geplaatst. Afzet krachtig en recht
achteruit.
Roerganger geeft roer voor deinzend schip.
5.4.3
Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot II
vervolg
Volvallen
over de van tevoren vastgestelde boeg. Bij voorkeur zonder
fok bak.
Helmstok/hout niet loslaten. Vaart maken (zeil aantrekken)
zodra het schip op de juiste koers ligt.
10.Aankomen
aan hogerwal (onder alle omstandigheden)
De aankomst aan hoger wal dient ook zonder een 'dwarspeiling'
te kunnen worden uitgevoerd.
Landvasten gereed leggen/houden en vastmaken aan het schip.
Schip moet stilliggen vlak voor de op de wal aangegeven
plaats op een der aan de windse koersen (zonodig afhouden
op veilige wijze).
Het schip moet zoveel mogelijk loodrecht op de wal aankomen.
De snelheidsregeling moet zichtbaar zijn. De controle op
volledige killende zeilen (op de juiste koers varend) moet
hebben plaatsgevonden.
Het bemanningslid dat vast gaat maken, blijft zo lang mogelijk
'laag' en houdt zich gereed met het landvast in de hand.
Via de loefzijde aan de wal stappen (niet springen).
11.Afmeren
van het schip
Schip zo fixeren dat ook op lange termijn schade aan eigen
of andere schepen niet mogelijk is. Gebruik zo min mogelijk
verbindingslijnen met de 'wal' (minder dan 3 en meer dan
6 is altijd fout). Kies de lijn zo lang mogelijk. Eerst
die lijnen vastmaken die de natuurlijke beweging van het
schip tegengaan (in de wind of tegenstrooms).
12.Kunnen
reven op het eigen schip
Aan kunnen geven wanneer de noodzaak bestaat om te gaan
reven. Dit aangeven aan de hand van: schip, zeilwater, windkracht
en geoefendheid van de bemanning. Op de eigen boot moet,
indien noodzakelijk, gereefd kunnen worden.
13.Toepassing
van de reglementen
De uitwijkregels voor het eigen vaargebied kunnen toepassen.
Een uitwijkmanoeuvre dient tijdig te worden ingezet. De
bemanning mag waarschuwen voor andere scheepvaart.
14.Man
over boordmanoeuvre
'Man over boord' constateren en roepen. "Zwem"
toeroepen, Zonodig een drijfmiddel toewerpen.
Op elke willekeurige koers afvallen naar voor de wind.
Er dient iemand te wijzen als de drenkeling moeilijk zichtbaar
is.
Voor de wind varen totdat je over de aan de windse lijn
heen bent (ongeveer 4 bootlengtes).
Oploeven en aan de wind gaan varen.
Stuurman constateert of laat constateren: "man dwars".
Overstag, snelheid regelen (niet stil gaan liggen) en langzaam
aan lij van de drenkeling langsvaren.
Bemanning geeft aanwijzingen voor de koers in de laatste
meters.
Bemanning staat aan loef klaar om drenkeling vast te pakken.
Bemanning roept "man vast" als dat het geval is.
Fok wordt bak getrokken.
Drenkeling aan loef, op het draaipunt van het schip (achter
het want), zijdelings en zo horizontaal mogelijk binnenhalen.
Bijliggen.
EHBO toepassen.
15.Loskomen
van aan de grond
In volgorde van de moeilijkheid van de situatie, als je
constateert datje vastloopt, dien je: Zo snel mogelijk van
de ondiepte af te sturen.
5.4.3 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot
II vervolg
Het schip te krengen om diepgang te verminderen (denk aan
de gijp in voor de windse situaties). De vaarboom erbij
te nemen en:
a. door de wind bomen en wegvaren, b. een gijp te forceren
en wegvaren.
Het zeil te strijken en de boot via dezelfde weg terug te
duwen (of zonodig te laten slepen) als die je op de ondiepte
bent gekomen.
16.Gebruik
buitenboordmotor (overgangsregeling; optioneel t/m 2006,
verplicht vanaf 2007)
De kandidaat wordt verondersteld met tenminste één
motor om te kunnen gaan.
De start en stopprocedure van de motor moet gekend worden
(zonodig het gebruik van de choke kennen). Bij buitenboordmotoren
moet gecontroleerd worden of er gevaar bestaat voor het
raken van de schroef door het roer.
Aanleggen en afvaren van hogerwal. Goed afmeren op de eigen
ligplaats. Keren. - Stoppen.
Bij directe aanwezigheid van personen in het water dient
te motor te worden uitgeschakeld.
5.4.4
Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot II
1.Schiemanswerk
De volgende steken bij naam kennen en op verzoek kunnen
leggen: twee halve steken (waarvan de eerste slippend),
achtknoop, paalsteek, platte knoop, mastworp (met slipsteek
als borg), schootsteek (enkel). Ook moet de functie van
deze knopen en steken gekend te worden. Tevens: een lijn
juist kunnen opschieten en een lijn goed kunnen beleggen
op een kikker.
2.Zeiltermen
De kandidaat moet kunnen aangeven wat bedoeld wordt met
de volgende termen: Hoger wal, lager wal, bakboord, stuurboord,
hoge- en lage zijde, loef- en lijzijde, in de wind, aan
de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, oploeven,
afvallen, overstag gaan, gijpen, kruisrak, killen van het
zeil, deinzen, opschieten, beleggen.
3.Onderdelen
Van eigen boot en tuigage in de praktijk en op een tekening
minstens 25 onderdelen bij de juiste naam kunnen noemen.
De onderdelen naar eigen keuze van de kandidaat. Op de tekening
moeten duidelijk minstens 30 verschillende onderdelen voorkomen.
In ieder geval moeten gekend worden: blok, landvast, kiel,
helmstok, roer, mast, giek, val, schoot, halshoek, schoothoek,
grootzeil, fok.
4.Veiligheid
Kunnen aangeven waarom het belangrijk is om bij de omgeslagen
boot te blijven. En tevens de eisen kennen die gesteld moeten
worden aan een reddingvest.
5.
Reglementen
De volgende regels uit het Binnenvaartpolitiereglement kunnen
toepassen:
1.01 lid A 2° motorschip
1.01 lid A 3° groot schip
1.01 lid A 4° klein schip: alleen de bepaling over de
lengte 1.01 lid A 15° zeilschip
1.01 lid A 16° zeilplank
1.04 Voorzorgsmaatregelen
1.05 Afwijking reglement
6.01 lid l Tegengestelde koersen, oplopen, voorbijlopen
en kruisende koersen
6.03 lid 1,3,4,5 Tegengestelde koersen: algemene beginselen
6.04 lid 2 Tegengestelde koersen: stuurboordwal
6.04 lid 3 Tegengestelde koersen: klein schip verleent voorrang
aan groot indien geen
5.4.4 Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot
II vervolg
stuurboordwal
6.04 lid 6,8 Tegengestelde koersen: kleine zeilschepen onderling
en zeil - spier - motor
6.10 Voorbijlopen
6.17 lid 2 Kruisende koersen: stuurboordwal
6.17 lid 3q Kruisende koersen: klein schip verleent voorrang
aan groot indien geen stuurboordwal
6.17 lid 6 Kruisende koersen: kleine zeilschepen onderling
6.17 lid 9 Kruisende koersen: zeil - spier - motor
Weten dat naast het BPR nog andere reglementen kunnen gelden
en weten waar het BPR en deze andere reglementen gevonden
kunnen worden.
6.Krachten
op het schip en hun gevolgen
Aan kunnen geven wat de effecten zijn van fok en grootzeil
op het sturen van het schip en wat er gebeurt bij een onjuiste
zeilstand. Weten wat de effecten zijn van de helling van
de boot op het sturen van het schip.
7.Gedragsregels
De goede gebruiken ten opzichte van andere watersporters,
waaronder wedstrijdzeilers, kennen. De verantwoording kennen
ten opzichte van het milieu.
8.
Weersinvloeden
Het weerbericht kunnen interpreteren met betrekking tot
de veiligheid van het kielboot varen, mede gezien de eigen
vaardigheid. Het tijdig kunnen herkennen van voortekenen
van plotselinge weersomslagen zoals onweer en zware windvlagen.
9.Vaarproblematiek
andersoortige schepen
Het gevaar kennen van de dode hoek en de zuiging van grote
schepen. Weten dat grote schepen (o.a. ten gevolge van hun
diepgang) op smal vaarwater niet kunnen wijken. Weten dat
ook grote vrachtschepen sterk kunnen verlijeren
|